Job 141 De mens, geboren uit een vrouw,
is kort van dagen en verzadigd van onrust.2 Als een bloem komt hij op en hij verwelkt;
hij vlucht als een schaduw en houdt geen stand.3 Ja, voor zo iemand doet U Uw ogen open,
en U brengt mij met U in het gericht.4 Wie zal een reine geven uit een onreine?
Niet één.5 Als zijn dagen vastgesteld zijn,
het getal van zijn maanden bij U bekend is,
en U zijn grenzen bepaald hebt, die hij niet kan overschrijden,6 wend Uw blik dan van hem af, zodat hij rust heeft
en als een dagloner van zijn dag geniet.7 Want voor een boom is er, als hij omgehakt wordt, nog hoop
dat hij zich weer vernieuwt,
en zijn jonge loten niet ophouden uit te lopen.8 Al wordt zijn wortel in de aarde oud,
en sterft zijn stronk in het stof,9 bij het ruiken van water zal hij weer uitlopen,
en maakt hij weer een twijg, zoals een plant.10 Maar een man sterft en is krachteloos;
als een mens de geest geeft, waar is hij dan?11 Het water loopt weg uit een meer,
en een rivier verzandt en valt droog.12 Zo gaat een mens liggen, en hij staat niet meer op.
Totdat de hemel er niet meer is, zullen zij niet ontwaken
of opgewekt worden uit hun slaap.13 Och, verstopte U mij maar in het graf,
verborg U mij maar totdat Uw toorn zich afkeert;
stelde U maar een grens voor mij vast en dacht U maar aan mij!14 Als een man gestorven is, zal hij dan weer levend worden?
Dan zou ik alle dagen van mijn strijd hopen,
totdat er voor mij verandering zou komen.15 U zou roepen, en ík zou U antwoorden,
U zou verlangen naar het werk van Uw handen.16 Maar nu telt U mijn voetstappen;
U bewaart mij niet vanwege mijn zonde.17 Mijn overtreding is in een buidel verzegeld,
en U houdt mijn ongerechtigheid bijeen.18 Zeker, een berg die valt, vergaat,
en een rots wordt van zijn plaats gehaald.19 Water vermaalt stenen,
het stof van de aarde overdekt het gewas, dat vanzelf opkomt;
zo doet U de hoop van de sterveling vergaan.20 U overweldigt hem voor altijd, en hij gaat heen;
U verandert zijn gezicht en stuurt hem weg.21 Zijn kinderen krijgen aanzien en hij weet het niet;
of zij worden veracht, en hij let niet op hen.22 Maar zijn vlees aan hem lijdt pijn;
en zijn ziel binnen in hem rouwt.
Job 151 Toen antwoordde Elifaz, de Temaniet, en zei: 2 Zal een wijze antwoorden met wetenschap die als wind is?
Zal hij zijn buik vullen met oostenwind? 3 Bestraft hij met woorden die nutteloos zijn,
en met uitspraken waarvan hij geen voordeel heeft? 4 Ja, jíj doet de vreze Gods teniet,
en neemt het gebed voor het aangezicht van God weg. 5 Want je eigen mond geeft je ongerechtigheid te kennen,
je hebt de tong van de sluwen gekozen. 6 Je eigen mond verklaart je schuldig, en niet ik;
je lippen getuigen tegen je. 7 Ben jij de eerste mens die geboren werd?
Ben jij vóór de heuvels voortgebracht? 8 Heb jij geluisterd in de verborgen raad van God?
En heb jij de wijsheid naar je toe getrokken? 9 Wat weet jij dat wij niet weten?
Wat begrijp jij dat bij ons ontbreekt? 10 Onder ons is ook een grijsaard en een stokoude,
ouder van dagen dan jouw vader. 11 Zijn de vertroostingen van God te klein voor je,
of woorden in zachtheid met je gesproken? 12 Waarom voert je hart je zo mee,
en waarom flikkeren je ogen, 13 dat je je geest tegen God keert
en zulke woorden uit je mond laat gaan? 14 Wat is de sterveling dat hij zuiver zou zijn,
en dat hij, geboren uit een vrouw, rechtvaardig zou zijn? 15 Zie, zelfs op Zijn heiligen vertrouwt Hij niet,
en zelfs de hemel is niet zuiver in Zijn ogen. 16 Hoeveel te meer is dan een man afschuwelijk en verdorven
die het onrecht indrinkt als water! 17 Ik zal het je te kennen geven, luister naar mij;
wat ik gezien heb, zal ik vertellen, 18 wat de wijzen bekendgemaakt hebben,
en wat men voor hun vaderen niet verborgen heeft. 19 Aan hen alleen was het land gegeven,
en geen vreemde ging door hun midden. 20 Alle dagen doet de goddeloze zichzelf verdriet aan;
en voor de geweldpleger is een klein aantal jaren weggelegd. 21 Het geluid van angstaanjagende dingen klinkt in zijn oren;
zelfs tijdens de vrede komt de verwoester naar hem toe. 22 Hij verwacht niet dat hij terugkeert uit de duisternis,
omdat er met een zwaard op hem geloerd wordt. 23 Hij zwerft rond om brood. Waar is het?
Hij weet dat een dag van duisternis voor hem ophanden is. 24 Benauwdheid en angst overvallen hem;
ze overweldigen hem als een koning die klaar is voor de strijd. 25 Ja, hij strekt zijn hand tegen God uit,
en hij verheft zich tegen de Almachtige. 26 Hij rent op Hem af met opgeheven nek,
met de dikke knoppen van zijn schilden vooruit. 27 Want hij heeft zijn gezicht bedekt met zijn vet,
en hij heeft een vetlaag op zijn lendenen gedaan. 28 Hij bewoont verwoeste steden,
huizen waarin niemand meer woont,
bestemd om een puinhoop te worden. 29 Hij zal niet rijk worden, zijn vermogen houdt geen stand,
en hun bezit breidt zich niet uit over de aarde. 30 Hij kan de duisternis niet ontwijken,
een vlam verdroogt zijn jonge loot;
hij gaat weg door de adem van Gods mond. 31 Laat hij niet vertrouwen op iets wat nutteloos is, waardoor hij misleid wordt;
want iets nutteloos zal hij als vergelding krijgen. 32 Terwijl het zijn sterfdag nog niet is, zal die vervuld worden,
en zijn palmtak zal niet groen worden. 33 Hij zal zijn onrijpe druiven afstoten als een wijnstok,
en zijn bloesem afwerpen als een olijfboom. 34 Ja, de gemeenschap van de huichelaars is onvruchtbaar,
en het vuur verteert de tenten van hen die geschenken aannemen.