Micha 21 Wee hun die onrecht uitdenken,
kwaad uitwerken op hun slaapplaats,
en het bij het licht van de morgenstond uitvoeren,
omdat zij daartoe bij machte zijn.2 Zij begeren akkers en roven die,
en huizen, en nemen die af.
Zo onderdrukken zij de man en zijn huis,
de mens en zijn erfelijk bezit.3 Daarom, zo zegt de HEERE,
zie, Ik bedenk kwaad over dit geslacht
waar u uw nekken niet uit weg kunt nemen
en waardoor u niet rechtop verder kunt gaan,
want het zal een kwade tijd zijn.4 Op die dag zal men een spreuk over u aanheffen, klaaglijk klagend met een rouwklacht, en zeggen:
Wij zijn geheel verwoest,
Hij doet het deel van mijn volk van eigenaar veranderen.
Hoe neemt Hij het van mij weg,
Hij deelt onze akkers uit aan afvalligen!5 Daarom zult u niemand hebben
die volgens het lot het meetsnoer uitwerpt
in de gemeente van de HEERE.
Oordeel over de valse profeten6 Ze profeteren: Profeteer niet!
Ze moeten er niet over profeteren!
Er komt geen einde aan al die smaad.7 U die huis van Jakob genoemd wordt,
komt de Geest van de HEERE soms tekort?
Zijn dat Zijn daden?
Doen Mijn woorden geen goed
bij hem die oprecht wandelt?8 Maar onlangs stelde Mijn volk
zich nog op als een vijand
tegenover een kledingstuk.
U rukt de mantel af
van nietsvermoedende voorbijgangers
die terugkeren van de strijd.9 De vrouwen van Mijn volk verdrijft u,
elk uit het huis dat haar lief is,
haar kleine kinderen ontneemt u
voor eeuwig Mijn sieraad.10 Sta op en ga weg,
want dit is niet het land van de rust.
Omdat het verontreinigd is, brengt het de ondergang,
ja, een verschrikkelijke ondergang.11 Als er iemand is die wind naloopt,
en bedrieglijk liegt en zegt:
Ik profeteer voor u
voor wijn en sterkedrank,
dan is hij voor dit volk de profeet!
Aankondiging van heil12 Ik zal u, Jakob, zeker verzamelen, geheel en al.
Ik zal het overblijfsel van Israël zeker bijeenbrengen.
Ik zal het samenbrengen als schapen van Bozra,
als een kudde midden in zijn weide.
Het zal er gonzen van de mensen.13 De Doorbreker trekt vóór hen op.
Zij zullen doorbreken, door de poort trekken
en daardoor naar buiten gaan.
Hun Koning gaat vóór hen uit,
de HEERE gaat aan de spits.
Micha 31 Toen zei ik:
Luister toch, hoofden van Jakob
en leiders van het huis van Israël,
behoort u niet
het recht te kennen? 2 Zij haten het goede
en hebben het kwade lief,
zij stropen hun huid van hen af
en hun vlees van hun beenderen. 3 Ja, zij zijn het
die het vlees van Mijn volk eten,
hun huid van hen afstropen,
hun beenderen breken,
ze uiteenleggen als in een pot,
als vlees midden in een ketel. 4 Dan zullen zij tot de HEERE roepen,
maar Hij zal hun niet antwoorden.
In die tijd zal Hij Zijn aangezicht voor hen verbergen,
omdat zij kwaad gedaan hebben. 5 Zo zegt de HEERE
tegen de profeten die Mijn volk misleiden,
die, als zij met hun tanden kunnen bijten,
vrede verkondigen.
Wie hun echter niets in hun mond geeft,
aan hem verklaren zij de oorlog. 6 Daarom zal het nacht voor u worden, zonder visioen,
het zal duister worden voor u, zonder waarzeggerij.
De zon zal over deze profeten ondergaan
en de dag zal donker over hen worden. 7 De zieners zullen beschaamd worden
en de waarzeggers rood van schaamte,
zij zullen allen hun baard en snor bedekken,
want er komt geen antwoord van God.