main | random | psalm | spreuk | populair | help

Job 26
Antwoord van Job aan Bildad
1 Maar Job antwoordde en zei:
2 Hoe heb jij hem geholpen die geen kracht heeft,
en de arm verlost die geen macht heeft?
3 Hoe heb jij hem raad gegeven die geen wijsheid had,
en hoe heb jij hem wijsheid in overvloed bekendgemaakt?
4 Aan wie heb jij zulke woorden bekendgemaakt?
En wiens geest is van jou uitgegaan?
5 De gestorvenen zullen opnieuw geboren worden
van onder de wateren, en de bewoners daarvan.
6 Het graf is naakt voor Hem,
en er is geen bedekking voor het verderf.
7 Hij strekt het noorden uit over het ledige;
Hij hangt de aarde op aan het niets.
8 Hij bindt het water in Zijn wolken;
toch scheurt de wolk daaronder niet.
9 Hij bedekt de aanblik van Zijn troon;
Hij spreidt Zijn wolk erover uit.
10 Hij heeft een begrenzing afgetekend over het wateroppervlak,
tot aan de grens tussen licht en duisternis.
11 De pilaren van de hemel sidderen
en zijn verbijsterd vanwege Zijn bestraffing.
12 Door Zijn kracht heeft Hij de zee opgezweept,
en door Zijn inzicht heeft Hij Rahab neergeslagen.
13 Door Zijn Geest kreeg de hemel schoonheid;
Zijn hand heeft de snelle slang doorboord.
14 Zie, dit zijn nog maar de uiteinden van Zijn wegen;
wat hebben wij slechts een fluisterend woord van Hem gehoord!
Wie zou dan de donder van Zijn kracht kunnen begrijpen?


Job 27
1 En Job hief opnieuw zijn spreuk aan en zei:
2 Zo waar God leeft, Die mijn recht heeft weggenomen,
en de Almachtige, Die mijn ziel bitterheid heeft aangedaan:
3 Voorzeker, zolang mijn adem nog in mij is,
en het blazen van God in mijn neus,
4 zullen mijn lippen geen onrecht spreken,
en zal mijn tong geen bedrog uiten!
5 Er is geen sprake van dat ik jullie gelijk zou geven;
tot ik de geest geef, zal ik mijn oprechtheid niet van mij wegdoen.

main | random | psalm | spreuk | populair | help

Job 27:6
Ik zal aan mijn gerechtigheid vasthouden, en zal haar niet loslaten;
mijn hart zal die in mijn dagen niet minachten.


7 Laat mijn vijand zijn als een goddeloze,
en mijn tegenstander als iemand die onrecht doet.
8 Want wat is de hoop van de huichelaar, als God zijn leven afsnijdt,
als God zijn ziel wegneemt?
9 Zal God zijn hulpgeroep horen
als benauwdheid over hem komt?
10 Zal hij vreugde scheppen in de Almachtige?
Zal hij God te allen tijde aanroepen?
11 Ik zal jullie onderwijzen aangaande de hand van God;
wat bij de Almachtige is, zal ik niet verbergen.
12 Zie, jullie hebben het allen zelf gezien.
Waarom blijven jullie dan aan vluchtigheid vasthouden?
13 Dit is het deel van de goddeloze mens bij God,
en het erfelijk bezit van de geweldplegers, dat zij van de Almachtige ontvangen:
14 als zijn kinderen talrijk worden, is het voor het zwaard,
en zijn nakomelingen zullen niet met brood verzadigd worden.
15 Wie van hem overgebleven zijn, zullen door de dood begraven worden,
en zijn weduwen zullen niet wenen.
16 Als hij zilver ophoopt als stof,
en kleding vervaardigt als leem,
17 zal hij die vervaardigen, maar de rechtvaardige zal die aantrekken,
en de onschuldige zal het zilver verdelen.
18 Hij heeft zijn huis als een mot gebouwd,
en als een hut die een wachter gemaakt heeft.
19 Rijk legt hij zich te slapen; hij wordt wel niet weggenomen,
maar als hij zijn ogen opendoet, is het er niet meer.
20 Verschrikkingen treffen hem als water;
's nachts zal een wervelwind hem wegnemen.
21 De oostenwind zal hem opnemen, en daar gaat hij;
hij zal hem van zijn plaats wegvagen.
22 God zal dit alles over hem werpen en hem niet sparen;
voor Zijn hand zal hij snel wegvluchten.
23 Men zal over hem zijn handen ineenslaan,
en van afschuw over hem sissen vanuit zijn woonplaats.


Job 28
Het oordeel van Job over de wijsheid
1 Voorzeker, er is voor het zilver een plaats waar het tevoorschijn gebracht wordt,
en een plaats voor het goud waar het gezuiverd wordt.
2 Het ijzer wordt uit de aarde gehaald,
en uit gesteente wordt koper gesmolten.
3 De mens bepaalt het einde voor de duisternis,
en elke grens onderzoekt men,
het gesteente in het donker en de schaduw van de dood.
4 Hij hakt een mijnschacht uit, ver van de plaats waar hij verblijft;
zonder steun van de voet hangen zij,
ver van de sterveling zweven zij.
5 Uit de aarde komt het brood voort,
en onder in haar wordt zij veranderd, als door vuur.
6 Haar gesteente is de plaats van saffier,
en zij bevat goudstofjes.
7 De roofvogel kent het pad erheen niet,
en het oog van de kiekendief heeft het niet waargenomen.
8 De trotse jonge dieren hebben het niet betreden,
geen felle leeuw is er overheen gegaan.
9 De mens slaat zijn hand aan het harde gesteente,
hij keert de bergen vanaf de wortel om.
10 In de rotsen hakt hij gangen uit,
zijn oog ziet alles wat kostbaar is.
11 Hij damt de rivieren af, zodat er geen druppel doorheen komt,
en wat verborgen is, brengt hij naar buiten in het licht.
12 Maar de wijsheid, waar wordt die gevonden?
En waar is de plaats van het inzicht?
13 De sterveling kent haar waarde niet,
zij wordt niet gevonden in het land van de levenden.
14 De watervloed zegt: In mij is zij niet;
en de zee zegt: Bij mij is zij niet.
15 Fijn goud kan niet in ruil voor haar gegeven worden,
en haar prijs kan niet met zilver worden afgewogen.
16 Zij kan met het fijne goud van Ofir niet betaald worden,
en evenmin met de kostbare onyx en saffier.
17 Haar waarde kan niet met goud of kristal gemeten worden,
en zij is niet in te ruilen voor een kleinood van zuiver goud.
18 Aan koraal en kristal wordt niet meer gedacht,
want de prijs van de wijsheid is hoger dan die van robijnen.
19 Haar waarde kan niet met die van een topaas uit Cusj gemeten worden;
en met het fijne zuivere goud kan zij niet betaald worden.
20 De wijsheid dus, waar komt zij vandaan,
en waar is de plaats van het inzicht?
21 Zij is bedekt voor de ogen van alle levenden,
en voor de vogels in de lucht is zij verborgen.
22 Het verderf en de dood zeggen:
Met onze oren hebben wij slechts een gerucht over haar gehoord.
23 God begrijpt haar weg,
en Híj kent haar plaats.
24 Want Híj ziet tot aan de einden der aarde,
Hij ziet onder heel de hemel,
25 terwijl Hij de kracht van de wind bepaalt,
en de wateren meet met een maat.
26 Toen Hij een verordening maakte voor de regen,
en een weg voor het weerlicht van de donder –
27 toen zag Hij haar, en peilde haar.
Hij stelde haar vast en ook onderzocht Hij haar.
28 Maar tegen de mens heeft Hij gezegd:
Zie, de vreze des Heeren, dat is wijsheid,
en zich afkeren van het kwade is inzicht.

main | random | psalm | spreuk | populair | help