main | random | psalm | spreuk | populair | help

Amos 6
Strafprediking tegen de zorgeloze hoogmoed van Israël
1 Wee de zorgelozen in Sion,
en de onbezorgden op de berg van Samaria,
de beroemdsten van de voornaamste van de volken,
en tot wie het huis van Israël komt.
2 Trek naar Kalne en kijk er rond;
ga vandaar naar het grote Hamath,
en daal af naar Gath van de Filistijnen.
Zijn ze beter dan deze koninkrijken?
Is hun gebied groter dan uw gebied?
3 U, die de onheilsdag ver van u afhoudt,
maar de zetel van het geweld naderbij brengt;
4 u, die op bedden van ivoor ligt,
die op uw rustbanken hangt,
die lammeren uit het kleinvee eet,
kalveren uit het midden van de stal;
5 u, die vrolijk zingt onder het geklank van de luit
– zoals David hebben zij voor zichzelf muziekinstrumenten uitgedacht –
6 u, die wijn uit sprengbekkens drinkt
en u zalft met de beste olie,
maar om de ondergang van Jozef bekommert u zich niet.
7 Daarom zullen zij nu als eersten in ballingschap gaan;
dan is het feest voorbij voor hen die maar wat rondhangen.
8 De Heere HEERE zweert bij Zichzelf
– spreekt de HEERE, de God van de legermachten:
Ik verafschuw de glorie van Jakob,
zijn paleizen haat Ik.
Ik zal de stad uitleveren met al wat zij bevat.
9 En mocht het gebeuren dat er tien mannen in één huis overgebleven zijn, dan zullen die sterven.
10 Als een familielid, of iemand die hem gaat verbranden, iemands lichaam opneemt om de beenderen het huis uit te dragen, zal hij tegen hem die nog binnen in huis is, zeggen: Is er nog iemand bij u? En die zal zeggen: Niemand. Daarop zal de eerste zeggen: Stil, want dit is niet iets om er de Naam van de HEERE bij te noemen!
11 Want, zie, de HEERE gebiedt,
en het grote huis treft Hij met scheuren
en het kleine huis met spleten.
12 Rennen paarden op een rots?
Ploegt men er met runderen?
Ja, u hebt recht in gal veranderd,
en de vrucht van de gerechtigheid in alsem.
13 U, die blij bent met Lodebar,
u, die zegt: Hebben wij niet door onze kracht
Karnaïm voor ons ingenomen?
14 Want, zie, Ik doe een volk tegen u opstaan,
huis van Israël!
spreekt de HEERE, de God van de legermachten.
Dat zal u onderdrukken
van Lebo-Hamath
tot het beekdal van de Vlakte.


Amos 7
1 Dit heeft de Heere HEERE mij laten zien, en zie, Hij formeerde sprinkhanen toen het nagras begon op te komen; let wel, nagras, nadat er voor de koning gemaaid is.
2 En het gebeurde, toen ze het opvreten van het gewas van het land voltooid hadden, dat ik zei: Heere HEERE, vergeef toch! Hoe zou Jakob staande kunnen blijven? Hij is immers klein!
3 Toen kreeg de HEERE hier berouw over. Het zal niet gebeuren, zei de HEERE.
Het visioen van het allesverterende vuur
4 Dit heeft de Heere HEERE mij laten zien, en zie, de Heere HEERE riep uit dat Hij een rechtszaak wilde voeren door middel van vuur. Het verslond de grote watervloed. Ook verslond het een stuk land.
5 Toen zei ik: Heere HEERE, houd toch op! Hoe zou Jakob staande kunnen blijven? Hij is immers klein!
6 Toen kreeg de HEERE hier berouw over. Ook dit zal niet gebeuren, zei de Heere HEERE.
Het visioen van het paslood
7 Dit heeft Hij mij laten zien, en zie, de Heere stond op een loodrechte muur met een paslood in Zijn hand.

main | random | psalm | spreuk | populair | help

Amos 7:8
Toen zei de HEERE tegen mij: Wat ziet u, Amos? Ik zei: Een paslood. Daarop zei de Heere: Zie, Ik ga een paslood plaatsen in het midden van Mijn volk Israël. Ik zal het niet langer voorbijgaan.


9 Verwoest zullen worden de offerhoogten van Izak,
de heiligdommen van Israël zullen worden verwoest,
en tegen het huis van Jerobeam zal Ik opstaan met het zwaard.
Amos en de priester Amazia
10 Toen stuurde Amazia, de priester van Bethel, een bode naar Jerobeam, de koning van Israël, om te zeggen: Amos heeft een samenzwering tegen u gesmeed in het midden van het huis van Israël. Het land zal aan al zijn woorden geen weerstand kunnen bieden.
11 Want dit heeft Amos gezegd: Jerobeam zal sterven door het zwaard, Israël zal zeker in ballingschap worden gevoerd, weg uit zijn land.
12 Daarop zei Amazia tegen Amos: Ziener, ga heen, vlucht naar het land van Juda! Eet daar uw brood en ga daar profeteren.
13 In Bethel mag u niet langer profeteren, want dat is het heiligdom van de koning, dat is het huis van het koninkrijk.
14 Toen antwoordde Amos en zei tegen Amazia: Ik ben geen profeet en ik ben geen profetenzoon, maar ik ben veehouder en moerbeikweker.
15 De HEERE haalde mij echter achter de kudde vandaan en de HEERE zei tegen mij: Ga heen, profeteer tegen Mijn volk Israël!
16 Nu dan, hoor het woord van de HEERE. U zegt: U mag niet profeteren tegen Israël, en: U mag uw woorden niet laten stromen tegen het huis van Izak!
17 Daarom, zo zegt de HEERE:
Uw vrouw zal in de stad hoererij bedrijven,
uw zonen en uw dochters zullen door het zwaard vallen,
en uw land zal met een meetsnoer verdeeld worden;
en ú zult sterven op onreine bodem,
en Israël zal zeker in ballingschap worden gevoerd,
weg uit zijn land.


Amos 8
Het visioen van de korf rijpe vruchten
1 Dit heeft de Heere HEERE mij laten zien, en zie: een korf met zomervruchten.
2 Toen zei Hij: Wat ziet u, Amos? Ik zei: Een korf met zomervruchten. Daarop zei de HEERE tegen mij:
Het einde is gekomen voor Mijn volk Israël:
Ik zal het niet langer voorbijgaan.
3 De tempelliederen zullen klagend klinken
op die dag, spreekt de Heere HEERE.
Talrijk zullen de dode lichamen zijn.
Op elke plaats
werpt men ze zwijgend weg.
Bedreigingen tegen Israël
4 Hoor dit, u, die de armen vertrapt, en erop uit bent om de zachtmoedigen van het land weg te doen,
5 door te zeggen: Wanneer is de nieuwemaansdag voorbij, zodat wij graan kunnen verkopen? En de sabbat, zodat wij de korenschuren kunnen openen? U maakt de efa kleiner, de sikkel groter, en u bedriegt met valse weegschalen.
6 U koopt de geringen voor geld, en de armen voor een paar schoenen. En u zegt: Wij verkopen het kaf van het koren.
7 De HEERE heeft gezworen bij de glorie van Jakob: Nooit zal Ik al hun daden vergeten!
8 Zou hierom het land niet sidderen,
zodat elke inwoner rouw bedrijft,
omdat het in zijn geheel stijgt als de Nijl,
stijgt en wegzinkt als de rivier van Egypte?
9 Op die dag zal het gebeuren,
spreekt de Heere HEERE,
dat Ik de zon midden op de dag zal laten ondergaan;
op klaarlichte dag zal Ik het land duister maken.
10 Ik zal uw feesten in rouw veranderen,
al uw liederen in klaagzangen;
om alle heupen zal Ik een rouwgewaad aanbrengen,
elk hoofd zal kaal zijn,
omdat Ik het land in rouw dompel als over een enig kind,
en wat ervan overblijft zal zijn als een bittere dag.
11 Zie, er komen dagen,
spreekt de Heere HEERE,
dat Ik honger in het land zal zenden;
geen honger naar brood,
geen dorst naar water,
maar om de woorden van de HEERE te horen.
12 Dan dolen zij van zee tot zee,
van noord tot oost trekken zij rond,
om het woord van de HEERE te zoeken,
maar zij zullen het niet vinden.
13 Op die dag zullen zij van dorst versmachten,
de mooie meisjes en de jonge mannen,
14 zij die zweren bij de schuld van Samaria,
en zeggen: Zo waar uw god van Dan leeft,
en de pelgrimstocht naar Berseba leeft!
Zij zullen vallen en niet meer opstaan.

main | random | psalm | spreuk | populair | help