main | random | psalm | spreuk | populair | help

Jesaja 41
De almachtige Verlosser
1 Zwijg voor Mij, kustlanden,
laten de volken de kracht vernieuwen.
Laten zij naar voren komen, laten zij dan spreken,
laten wij samen naar voren komen voor het oordeel.
2 Wie heeft vanwaar de zon opkomt de rechtvaardige doen opstaan,
hem geroepen om te gaan?
Wie heeft heidenvolken aan hem overgeleverd
en doet hem koningen vertreden?
Wie heeft hen als stof overgeleverd aan zijn zwaard,
als wegwaaiende stoppels aan zijn boog?
3 Hij achtervolgde hen, trok verder in vrede,
over een pad dat hij met zijn voeten niet eerder betrad.
4 Wie heeft dit bewerkt en gedaan?
Hij Die de generaties riep vanaf het begin!
Ik, de HEERE, Die de Eerste ben,
en bij de laatsten ben Ik Dezelfde.
5 De kustlanden zagen het en werden bevreesd,
de einden der aarde beefden;
ze kwamen naderbij en traden toe.
6 De een hielp de ander,
tegen zijn broeder zei hij: Wees sterk!
7 De vakman bemoedigde de edelsmid,
hij die met de hamer gladmaakt, hem die op het aambeeld slaat,
door van het soldeersel te zeggen: Het is goed.
Daarna zette hij het vast met spijkers, zodat het niet zou wankelen.
8 Maar u, Israël, Mijn dienaar,
u, Jakob, die Ik heb verkozen,
het nageslacht van Abraham, die Mij liefhad,
9 u, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde,
geroepen uit haar uithoeken,
en tegen wie Ik zei: U bent Mijn dienaar,
Ik heb u verkozen, Ik heb u niet verworpen.
10 Wees niet bevreesd, want Ik ben met u,
wees niet verschrikt, want Ik ben uw God.
Ik sterk u, ook help Ik u,
ook ondersteun Ik u met Mijn rechterhand, die gerechtigheid werkt.
11 Zie, zij zullen beschaamd en te schande worden,
allen die in woede tegen u ontstoken zijn.
Zij zullen worden als niets, zij zullen omkomen,
de mannen die u aanklagen.
12 U zult hen zoeken, maar u zult hen niet kunnen vinden,
de mannen die zich tegen u keren.
Zij zullen worden als niets, als volstrekt niets,
de mannen die strijd tegen u voeren.
13 Want Ik ben de HEERE, uw God,
Die uw rechterhand vastgrijpt
en tegen u zegt: Wees niet bevreesd,
Ik help u.
14 Wees niet bevreesd, wormpje Jakob,
volkje Israël,
Ík help u, spreekt de HEERE,
uw Verlosser is de Heilige van Israël.
15 Zie, Ik maak u tot een scherpe dorsslede,
een nieuwe, met puntige pinnen.
U zult bergen dorsen en verpulveren,
en heuvels maken als kaf.
16 U zult ze wannen, de wind zal ze opnemen,
en de storm zal ze verspreiden.
Maar ú zult zich verheugen in de HEERE,
in de Heilige van Israël zult u zich beroemen.
17 De ellendigen en de armen zoeken water, maar het is er niet,
hun tong versmacht van dorst.
Ík, de HEERE, zal hen verhoren,
Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten.
18 Ik zal op kale hoogten rivieren doen ontspringen,
midden in valleien bronnen.
Ik zal de woestijn maken tot een waterpoel,
het dorre land tot waterbronnen.
19 Ik zal in de woestijn de ceder zetten,
de acacia, de mirt en de oliehoudende boom.
Ik zal in de wildernis de cipres plaatsen,
samen met plataan en dennenboom,
20 opdat men ziet en erkent,
bedenkt en tevens inziet
dat de hand van de HEERE dit gedaan heeft,
en de Heilige van Israël het geschapen heeft.
21 Kom naderbij met uw aanklacht,
zegt de HEERE,
kom maar naar voren met uw bewijzen,
zegt de Koning van Jakob.
22 Laten zij naar voren brengen en ons bekendmaken
de dingen die zullen gebeuren.
De dingen van vroeger – wat waren ze? Maak het bekend,
en wij zullen het ter harte nemen
en het einde ervan weten,
of doe ons de komende dingen horen.
23 Maak de dingen bekend die hierna zullen komen,
en wij zullen weten dat u goden bent.
Doe tenminste iets, goed of kwaad,
en wij zullen verschrikt zijn en het tezamen inzien.
24 Zie, u bent minder dan niets,
en uw werk is minder dan een nietig ding;
een gruwel is hij die voor u kiest.
25 Ik doe Iemand opstaan uit het noorden en Hij zal komen:
vanwaar de zon opkomt zal Hij Mijn Naam aanroepen;
Hij zal komen, de machthebbers als leem vertreden
en zoals een pottenbakker klei treedt.
26 Wie heeft het van het begin af verkondigd, zodat wij het kunnen weten,
of van tevoren, dat wij kunnen zeggen: Het is terecht?
Maar er is niemand die het verkondigt, ook niemand die iets horen doet,
ook niemand die uw woorden hoort.
27 Ik, de Eerste, zeg tegen Sion: Zie, zie ze daar!
en tegen Jeruzalem: Ik zal een Vreugdebode geven.
28 Want Ik zag toe, maar er was niemand,
zelfs niet onder dezen, er was geen raadsman,
dat Ik hun iets zou vragen en zij Mij antwoord zouden geven.
29 Zie, zij allen zijn nietigheid,
hun werken zijn niets,
hun gegoten beelden zijn wind en leegte.


Jesaja 42
1 Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun,
Mijn Uitverkorene, in Wie Mijn ziel een welbehagen heeft;
Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd.
Hij zal tot de heidenvolken het recht doen uitgaan.
2 Hij zal niet schreeuwen, Hij zal Zijn stem niet verheffen,
Hij zal Zijn stem op straat niet laten horen.
3 Het geknakte riet zal Hij niet verbreken,
de uitdovende vlaspit zal Hij niet uitblussen;
naar waarheid zal Hij het recht doen uitgaan.
4 Hij zal niet uitdoven,
Hij zal niet geknakt worden,
totdat Hij het recht op aarde zal hebben gevestigd.
De kustlanden zullen uitzien naar Zijn onderricht.
5 Zo zegt God, de HEERE,
Die de hemel heeft geschapen en hem heeft uitgespannen,
Die de aarde heeft uitgespreid en wat daarop uitspruit,
Die de adem geeft aan het volk dat daarop is,
en de geest aan hen die daarop wandelen:
6 Ík, de HEERE, heb U geroepen in gerechtigheid,
Ik zal U bij Uw hand grijpen,
Ik zal U beschermen en Ik zal U stellen
tot een verbond voor het volk, tot een licht voor de heidenvolken,
7 om blinde ogen te openen,
om gevangenen uit de kerker te leiden,
uit de gevangenis wie in duisternis zitten.
8 Ik ben de HEERE – dat is Mijn Naam;
Mijn eer zal Ik aan geen ander geven,
evenmin Mijn lof aan de afgodsbeelden.
9 De voorgaande dingen – zie, ze zijn gekomen!
Nieuwe dingen verkondig Ik;
voordat ze ontkiemen,
doe Ik ze u horen.
10 Zing voor de HEERE een nieuw lied,
Zijn lof vanaf het einde der aarde,
u die de zee en al wat daarin is, bevaart,
u, eilanden en wie daarop wonen.
11 Laten de woestijn en zijn steden hun stem verheffen,
de dorpen waar Kedar woont.
Laten zij die in de rotsen wonen, juichen,
het vanaf de bergtoppen uitjubelen.
12 Laten zij de HEERE eer geven,
en Zijn lof op de eilanden verkondigen.
13 De HEERE zal uittrekken als een held.
Hij zal de strijdlust opwekken als een strijdbare man,
Hij zal juichen, ja, Hij zal het uitschreeuwen,
Hij zal Zijn vijanden overweldigen.
14 Ik heb van oude tijden af gezwegen,
Ik heb Mij stilgehouden, Mij bedwongen.
Als een barende vrouw zal Ik het uitschreeuwen.
Ik zal verwoesten, ja, Ik zal tegelijk verslinden.
15 Ik zal bergen en heuvels woest maken
en al hun gras zal Ik doen verdorren.
Ik zal van rivieren eilanden maken
en waterpoelen doen opdrogen.
16 En Ik zal blinden leiden langs een weg die zij niet gekend hebben,
Ik zal hen doen gaan op paden die zij niet gekend hebben.
Ik zal vóór hen de duisternis veranderen in licht
en wat krom is in wat recht is.
Deze dingen zal Ik voor hen doen,
Ik zal hen niet verlaten.
17 Maar wie op gesneden beelden vertrouwen,
wie tegen gegoten beelden zeggen:
U bent onze goden,
die zullen terugwijken en diep beschaamd worden.
18 Doven, hoor!
Blinden, kijk en zie!
19 Wie is er zo blind als Mijn dienaar,
doof zoals Mijn bode die Ik zend?
Wie is blind zoals de volmaakte,
blind zoals de knecht van de HEERE?

main | random | psalm | spreuk | populair | help

Jesaja 42:20
U ziet wel veel dingen, maar u let er niet op.
Hij doet zijn oren wel open, toch luistert hij niet.


21 De HEERE was hem genegen omwille van Zijn gerechtigheid,
Hij maakte hem groot door de wet, en luisterrijk.
22 Dit is echter een beroofd en uitgeplunderd volk;
vastgebonden in holen zitten zij allen,
opgesloten in gevangenissen.
Zij zijn een prooi geworden, en niemand redt;
een buit geworden, en niemand zegt: Geef terug!
23 Wie onder u neemt dit ter ore?
Wie slaat er acht op en hoort wat hierna zal zijn?
24 Wie heeft Jakob tot buit gegeven
en Israël overgeleverd aan rovers?
Is het niet de HEERE, Hij tegen Wie wij gezondigd hebben?
Want zij wilden in Zijn wegen niet gaan
en zij luisterden niet naar Zijn wet.
25 Daarom heeft Hij over hem uitgestort Zijn grimmige toorn
en het geweld van de oorlog.
Dit heeft hem rondom in vlam gezet, maar hij merkt het niet op;
het heeft hem in brand gestoken, maar hij neemt het niet ter harte.


Jesaja 43
Israël kostbaar in het oog van God
1 Maar nu, zo zegt de HEERE,
uw Schepper, Jakob, uw Formeerder, Israël:
Wees niet bevreesd, want Ik heb u verlost,
Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.
2 Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn,
door rivieren, zij zullen u niet overspoelen.
Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden,
geen vlam zal u aansteken.
3 Want Ik ben de HEERE, uw God,
de Heilige van Israël, uw Heiland.
Ik heb Egypte als losgeld voor u gegeven,
Cusj en Seba in uw plaats.
4 Sinds u kostbaar bent in Mijn ogen,
bent u verheerlijkt en heb Ík u liefgehad.
Daarom heb Ik mensen gegeven in uw plaats
en volken in plaats van uw ziel.
5 Wees niet bevreesd, want Ik ben met u.
Vanwaar de zon opkomt, zal Ik uw nageslacht halen
en vanwaar hij ondergaat zal Ik u bijeenbrengen.
6 Ik zal zeggen tegen het noorden: Geef!
En tegen het zuiden: Weerhoud niet!
Breng Mijn zonen van ver,
en Mijn dochters van het einde der aarde.
7 Ieder die genoemd is naar Mijn Naam,
die heb Ik tot Mijn eer geschapen, die heb Ik geformeerd, ja, die heb Ik gemaakt.
Israël is getuige van God
8 Laat het volk dat blind is, al heeft het ogen,
en de doven, al hebben zij oren, uittrekken.
9 Laten alle heidenvolken samenkomen
en de volken zich verzamelen.
Wie onder hen kan dit verkondigen?
Of laten zij ons de dingen van vroeger doen horen.
Laten zij hun getuigen naar voren brengen, opdat zij in het gelijk gesteld worden,
en men zal horen en zeggen: Het is de waarheid!
10 U bent Mijn getuigen, spreekt de HEERE,
en Mijn dienaar die Ik verkozen heb,
opdat u het weet en Mij gelooft,
en begrijpt dat Ik Dezelfde ben:
vóór Mij is er geen God geformeerd
en na Mij zal er geen zijn.
11 Ik, Ik ben de HEERE,
buiten Mij is er geen Heiland.
12 Ík heb verkondigd en Ik heb verlost, en Ik heb het doen horen,
en er was geen vreemde god onder u.
U bent Mijn getuigen, spreekt de HEERE,
dat Ik God ben.
13 Ook voor de dag er was, ben Ik,
en er is niemand die uit Mijn hand kan redden.
Ik zal werken, en wie zal het keren?
14 Zo zegt de HEERE,
uw Verlosser, de Heilige van Israël:
Ter wille van u heb Ik iemand naar Babel gezonden
en Ik heb hen allen vluchtend doen afdalen,
namelijk de Chaldeeën, in de schepen waarover zij voorheen juichten.
15 Ik ben de HEERE, uw Heilige,
de Schepper van Israël, uw Koning.
16 Zo zegt de HEERE,
Die een weg maakte in de zee
en een pad in machtige wateren,
17 Die strijdwagens en paarden deed uitrukken,
leger en macht,
zij liggen tezamen neer, zij zullen niet meer opstaan,
uitgedoofd zijn zij, uitgeblust als een vlaspit.
18 Denk niet aan de dingen van vroeger,
let niet op de dingen van het verleden.
19 Zie, Ik maak iets nieuws.
Nu zal het ontkiemen. Zult u dat niet weten?
Ja, Ik zal een weg aanleggen in de woestijn,
rivieren in de wildernis.
20 De dieren van het veld zullen Mij eren –
jakhalzen en struisvogels –
want Ik zal water geven in de woestijn,
in de wildernis rivieren,
om Mijn volk, Mijn uitverkorene, te drinken te geven.
21 Dit volk heb Ik Mij geformeerd.
Zij zullen Mijn lof vertellen.
22 U hebt Mij echter niet aangeroepen, Jakob,
maar u hebt zich tegen Mij vermoeid, Israël.
23 U hebt Mij niet uw brandoffers gebracht van kleinvee
en met uw slachtoffers hebt u Mij niet geëerd.
Ik heb u Mij niet laten dienen met het graanoffer,
en Ik heb u niet vermoeid met wierook.
24 U hebt voor Mij met geld geen kalmoes gekocht,
en met het vet van uw slachtoffers hebt u Mij niet verzadigd.
Integendeel, u bent Mij tot last geweest met uw zonden,
u hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.
25 Ik, Ik ben het Die uw overtredingen uitdelgt omwille van Mijzelf,
en aan uw zonden denk Ik niet.
26 Breng het Mij in herinnering, laten wij samen een rechtszaak voeren;
vertelt u maar, opdat u in het gelijk gesteld wordt.
27 Uw eerste vader heeft gezondigd,
en uw uitleggers van de wet zijn tegen Mij in opstand gekomen.
28 Daarom zal Ik de leiders van het heiligdom ontheiligen,
Jakob prijsgeven aan de ban
en Israël aan beschimpingen.

main | random | psalm | spreuk | populair | help